Onverschilligheid moet zowat de grootste angst zijn voor een groep. Al valt het te begrijpen dat je een plaat maakt enkel voor jezelf, om een uitweg te zoeken voor je gevoelens of wat dan ook. Toch moet het hard zijn om te horen voor een band dat het werk dat je net hebt afgeleverd, het publiek onverschillig laat. Niet dat dat het geval is bij ‘Wagonwheel Blues’ van The War On Drugs.

In het traditionele boekje bij de cd staan zes mensen vermeld als muzikanten binnen de groep. Wie de liner notes echter van dichtbij bekijkt, zal merken dat het vooral Adam Granduciel en Kurt Vile zijn die de dienst uitmaken. De heren gebruiken gitaren, toetsen, blaasinstrumenten en drums om te komen tot een wel heel origineel geheel. Aanvankelijk vraagt het resultaat wat gewenning, maar wie zich laat overtuigen, raakt onvermijdelijk verslaafd.

Niet eenvoudig om dit plaatje te beschrijven, maar als je de stem van Bob Dylan neemt en het doordrammerige van The Dream Syndicate (die lang uitgesponnen, steeds herhaalde riffs) in een bad van galm (denk aan de laatste British Sea Power) onderdompelt, kom je ergens in de buurt. Ook Bruce Springsteen en Neil Young werden al opgegeven als referenties en daar kunnen we eveneens inkomen. Vast staat dat het een wel heel origineel geluid is waarbij de heren zijn uitgekomen.

Wat vooral verbazing opwekt, is het feit dat de plaat op geen enkel moment een minder moment vertoont. Of dat nu het enkel met akoestische gitaar opgestarte Coast Reprise is dat uitmondt in door opdringerige drums opgejaagde gitaren of het wat ingehouden There Is No Urgency, alles maakt even veel indruk. Ook voor instrumentaal werk (Taking The Farm of het psychedelische Reverse The Charges) draait The War On Drugs zijn hand niet om. En wonderlijk genoeg blijkt ook dat perfect te werken.

Wat ons betreft steekt  Show Me The Coast nog ietsje boven de andere nummers uit. Dat heeft vooral te maken met die heerlijk aangehouden, steeds herhaalde riff. Het lijkt wel of er nooit een einde aan het nummer komt en toch gaat het nooit vervelen. Als de muziek uiteindelijk toch wegsterft, heb je bijna spijt dat het voorbij is.

Het lijkt onvoorstelbaar dat deze plaat u onverschillig zal laten. Misschien hebt u er een grondige hekel aan. Of misschien omarmt u ze met veel liefde en kan u niet wachten om dit collectief ook eens op een podium aan het werk te zien. Het is in elk geval een plaat die emoties losweekt en is het hem daar in de muziek niet om te doen?

Copyright : daMusic

Shearwater - Rook

22 juli 2008

Het lijkt erop dat de Siamese tweeling Jonathan Meiburg en Will Sheff stilaan gescheiden raakt. Sheff wordt op dit nieuwe album ‘Rook’ van Shearwater nergens vermeld en Meiburg is in geen velden of wegen meer te bekennen binnen Okkervil River. Voorganger ‘Palo Santo’ (waarbij de inbreng van Sheff ook al beperkt was) gooide hoge ogen bij critici. Met ‘Rook’ wordt dit succes terecht geconsolideerd.

Jonathan Meiburg heeft iets met vogels: een “shearwater” is een pijlstormvogel en een “rook” is een roek, een kraaiachtige. Niet echt verwonderlijk als je weet dat Meiburg eigenlijk ornitholoog van opleiding is.

In zijn teksten duiken trouwens allerlei vogels op en lijkt hij gefascineerd door de natuur. Meiburg is ervan overtuigd dat het niet goed gaat met de wereld. Om dat onder woorden te brengen, gebruikt hij metaforen die voortdurend teruggrijpen op de natuur. In Rooks vallen de vogels uit de lucht. En het is de mens die daarvoor verantwoordelijk is. Pas als de mens ophoudt met roofbouw te plegen, is er nog hoop. Of zoals Meiburg het verwoordt : “There’s nowhere to flee for your life / So we stay inside / And we’ll sleep until the world of man is paralyzed”.

In zijn muziek maakt hij zich daar duidelijk boos over. Nummers als het schitterende The Snow Leopard beginnen alleen met zijn stem (ergens tussen Jeff Buckley en Antony) en een verdwaalde piano om dan uit te barsten in gitaarriffs en roffelende drums. Met opener On The Death Of The Waters weet u meteen waar u aan toe bent. Het pianospel doet ons daarbij soms denken aan dat van seventiesband Supertramp, al houdt de vergelijking daarbij helemaal op.

Dit is geen plaat die je draait terwijl je de schoonmaak doet. Dit album zuigt alle aandacht naar zich toe en eist je hele wezen op. Meiburgs stem is daaraan schatplichtig, maar u zal ook de finesses missen als u zich niet volledig aan deze cd wijdt: de klarinet in Home Life, de vibrafoon en de strijkers in Leviathan, Bound.

Het album is afwisselend, verveelt nooit, maar verdraagt geen enkele concurrentie. Waar Lost Boys een ingetogen ballade is, is Century Eyes een boze indierocksong met een drammende gitaar en een opgewonden Meiburg. Maar beide songs sleuren je mee in een draaikolk van gevoelens waar je pas uitraakt als de cd beëindigd is.

Wie dit album de tijd geeft, zal tot de conclusie komen dat Jonathan Meiburg en zijn Shearwater zijn uitgegroeid van afsplitsing van Okkervil River tot een volwaardige indierockband, waarvan ongetwijfeld nog heel veel moois te verwachten valt. Intussen zijn wij al heel erg opgetogen met dit meesterwerk.

Copyright : daMusic

Naar eigen zeggen zou Dracula’s Daughter Colin Meloys slechtste song ooit zijn. Waarom hij die dan wel speelt, legt hij uit op ‘Sings Live’ en moet u zelf maar ontdekken. Het gaat er maar om dat de wat knullige tekst ervan om een of andere duistere reden steeds maar door ons hoofd spookt. Zegt dat nu iets over ons eerder dan over de muzikant?

Het zijn harde tijden voor artiesten. Om het financiële plaatje te doen kloppen, is spelen met hun respectievelijke bands niet langer meer voldoende. Dus schnabbelen de heren bij door solo op tournee te gaan. En omdat er al eens opnames worden gemaakt van wat er daar wordt gespeeld en het resultaat daarvan ook een mooie extra cent opbrengt, worden die livecd’s dan verkocht tijdens de optredens. Bovendien is het een uitstekende manier om jezelf scherp te houden.

Voor wie het niet zou weten: Colin Meloy is de frontman van The Decemberists, maar staat ook solo meer dan zijn mannetje. Dit is ook niet de eerste van dit soort platen voor hem. Of de voorgangers (‘Sings Morrissey’, ‘Sings Shirley Collins’ en onlangs nog ‘Sings Sam Cooke’) even aangenaam om horen waren, is moeilijk te zeggen, gezien ze enkel te koop zijn tijdens de tournees. Indien u er eentje thuis zou liggen hebben, laat het dan vooral even weten, want deze ‘Sings Live’ kan ons best bekoren.

Meloys stemkleur – een licht vibrato - gecombineerd met die eenzame akoestische gitaar maken van songs als Wonder en het ronduit schitterende On The Bus Mall een feest voor je oren. Bovendien slaagt hij er schijnbaar moeiteloos in om ongemerkt over te schakelen op perfect ingekapselde versies van andere songs. Dat doet hij met Fleetwood Macs Dreams in het laatstgenoemde nummer en met Ask van The Smiths na California One / Youth And Beauty Brigade.

Omdat hij regelmatig een woordje tot zijn (soms wat overmatig enthousiast) publiek richt, wordt de plaat ook nergens saai en wordt er op regelmatige tijdstippen een glimlach om de mondhoeken van de argeloze luisteraar getoverd. U zou nu kunnen aanbrengen dat dat toch ook niet het geval was op de platen van pakweg Nick Drake, maar die heeft het daar uiteindelijk ook niet bij gelaten. Zelfrelativering maakt ook van een muzikant een beter mens.

Dit is prima kampvuurmuziek die ook na meerdere luisterbeurten niet gaat vervelen. Originaliteitsprijzen zal hij er ongetwijfeld niet mee winnen, maar wij maken graag even de tijd om languit op de sofa te genieten van deze luisterliedjes.

Copyright : daMusic

Hoewel hij al muziek maakt sinds 1996 is Destroyer pas onlangs onder de aandacht gekomen met het laatste album ‘Trouble In Dreams’. Op verschillende internationale blogs wordt er gedweept met zijn muziek. Op de radio hoor je de muziek echter enkel in de late uurtjes. Dat is jammer want deze plaat staat vol met juweeltjes van songs.

Hij wordt wel eens vergeleken met David Bowie en die vergelijking klopt ook grotendeels. Toch heeft Daniel Bejar zijn eigen specifieke kwaliteiten. Er is eerst en vooral die door merg en been dringende stem. Als je Bejar hoort zingen, lijkt het wel of Marlene Dietrich een heks probeert te imiteren. Dat unieke stemtimbre draagt bij tot het gevoel van wanhoop, van desolaatheid dat van de songs uitgaat.

Luister maar naar Shooting Rockets (From The Desk Of Night’s Ape). Die eenzame, slepende gitaar neemt je mee naar de diepste regionen van zijn verbeelding: “I’ve got street despair carved into my heart!”. Pure poëzie, waarbij eenieder zijn eigen fantasie op hol kan laten slaan. Geen enkel beeld dat Destroyer je voorspiegelt, ligt voor de hand. Iedere luisteraar kan van elke strofe zijn eigen versie bedenken.

Zo maken wij van The State ons eigen private circus met roffelende trom, acrobaten, trapezekunstenaars die door het luchtruim zweven, dierentemmers die hun hoofd in de muil van de leeuw des levens steken. Uiteraard is er ook de clown die zichzelf voor schut zet voor het aanzicht der toeschouwers, maar hen tegelijkertijd een spiegel voorhoudt. En dan hebben we het enkel maar over de muziek. Dat is wat wij erin zien, maar het staat u volkomen vrij er uw eigen langspeelfilm bij te bedenken.

Muzikaal houdt de verwijzing naar Bowie zeker stek. Ook hij was iemand die nergens voor terugdeinsde, de gekste covers durfde te brengen, de wildste muziek te omhelzen. Hetzelfde geldt voor Destroyer: het ene moment brengt hij een dronkemanslied uit een zeemanscafé (Plaza Trinidad), het volgende lijkt hij weer een intiem liefdesliedje te zingen (Foam Hands), maar eigenlijk weet je het nooit en daarin ligt precies de charme van dit album, dat je bedwelmt als een drugsroes, waaruit je niet meer wilt ontwaken.

Daniel Bejar heeft met ‘Trouble In Dreams’ een schitterende plaat gemaakt, een plaat van een mysterieuze schoonheid. Maar voor hetzelfde geld zijn we gewoon behekst door die krakende oudewijvenstem. In dat geval hoeft u ons niet te komen redden.

Copyright : daMusic

Islands - Arms Way

27 juni 2008

Af en toe kom je er gewoon niet uit. Dan moet je een oordeel vellen over een album, maar kom je niet tot een eenduidig besluit. De ene keer ontdek je prachtige dingen, de volgende keer vind je het maar niks. ‘Arms Way’ van Islands is zo’n album.

Islands verrees in 2005 uit de as van de Canadese band Unicorns. Aanvankelijk was het vooral een collectief met Jamie Thompson en Nick Thorburn aan het roer. Violen hadden al van bij het begin een belangrijk aandeel in het geluid van de band. In 2006 hield Thompson de band echter voor bekeken, waarna Thorburn uitdrukkelijk het voortouw in handen nam. De combinatie van gitaarpopliedjes met een serieuze scheut violen is echter gebleven.

Dat wordt al meteen duidelijk bij opener The Arm dat wordt ingeleid door zachte violen om uit te barsten in een pittige riff en een prima refrein. Ook Pieces of You en J’Aime Vous Voir Quitter zijn best goede nummers, al hebben wij de indruk dat het allemaal van het goede een beetje te veel wordt. De eerste vier nummers (dus ook Abominable Snow, een nummer dat al door Unicorns werd gespeeld) zijn te gelijkaardig waardoor de plaat aan het begin een beetje lijkt in te zakken. Je hebt dan ook al gauw de neiging om de skipknop op te gaan zoeken.

Beschouw het als een heet bad. Aanvankelijk zal de hitte je huid rood kleuren en lijkt het of je door duizend naalden wordt geprikt. Eens je de eerste pijn echter hebt doorstaan, wordt het pas echt genieten. Met Creeper gooit de band het meteen over een andere boeg. Een discobeat met daarover een leuk gitaarloopje doet je wakker schieten. Het concept van dit nummer is zo eenvoudig dat het lachwekkend lijkt en toch werkt het.

De eentonigheid van de eerste vier nummers is dan ook in één klap vergeten, want ook Kids Don’t Know Shit loont meer dan de moeite. Dit is gewoon prima popmuziek zonder al te veel franjes. Niet dat het de luisteraar altijd even makkelijk wordt gemaakt. I Feel Evil Creeping In is een donkere song, die je eerst spelend in je hete bad lijkt onder te dompelen om je dan met geweld onder te houden. En Thorburn geniet ervan : “When I behave nobody cares / When I behave badly nobody dares”. Diezelfde donkere gedachten lopen trouwens als een rode draad door dit album.

Nu hebt u misschien de indruk dat wij dit een best een goed album vinden, maar eigenlijk weten we het gewoon niet. Misschien klinkt het beter als je troost zoekt, als je je slecht voelt, maar even goed kan het een prima middeltje zijn om je hoofd uit de wolken te halen. Zeg in elk geval niet dat we u niet gewaarschuwd hebben.

Moeder, waarom schrijven wij? Het is iets wat een doorsnee recensent zich wel eens afvraagt. Death Cab For Cutie’s zevende album ‘Narrow Stairs’ heeft zich immers in geen tijd genesteld op het hoogste schavotje van de Billboard Album Top 200 en zal ook aan deze kant van de grote plas ongetwijfeld vlot over de toonbank gaan. Verkocht wordt het album dus in elk geval. Maar de redactie verwacht nu eenmaal dat er een oordeel geveld wordt.

Dat precies I Will Possess Your Heart als single werd uitgekozen, is op zijn minst vreemd te noemen. Niet alleen duurt het nummer langer dan acht minuten, het is pas ruim halfweg dat je Ben Gibbards stem te horen krijgt. Daarvoor lijkt het nummer een soort postrock-light waarbij de heerlijke, repetitieve bas van Nick Harmer een constante vormt, omringd door dwalende pianoklanken en de punctuele drums van Jason McGerr. Dat maakt het meteen een wat a-typisch, maar desondanks schitterend Death Cabnummer.

Daarvoor heeft u trouwens al kunnen genieten van Bixby Canyon Bridge dat openbarst als een rijpe zweer nadat Ben Gibbard aanvankelijk door middel van zijn stembanden nog een zalfje op de puist probeert te smeren. Het nummer wordt verscheurd door een krakende gitaar en opnieuw die pijnstillende baslijnen. Ook inhoudelijk is het niet echt rozengeur en maneschijn. “No closer to any kind of truth” is het uiteindelijke resultaat van zijn zoektocht naar het hogere.

Niet alle nummers zijn echter even sterk, al liggen ze allemaal even goed in het gehoor en word je ook door de wat mindere nummers (No Sunlight, You Can Do Better Than Me) meegevoerd door de goed draaiende HST die Death Cab For Cutie inmiddels is geworden.

Muzikaal is er misschien niet echt veel veranderd sinds ‘Plans’, maar toch misstaan nummers als het slome, wat tergende Talking Bird helemaal niet tussen de al mooi uitgebouwde lijst van songs die de groep tot op heden heeft uitgebracht. In Long Division ligt het tempo dan weer een stuk hoger. Deze tegenstellingen typeren een groep als Death Cab For Cutie. Zelfs als de vocalen van Gibbard enkel worden ondersteund door een eenzame gitaar zoals in afsluiter The Ice Is Getting Thinner, is het nog steeds onmiskenbaar een Death Cabsong.

“We’re not the same, dear, as we used to be” zingt hij in dat laatste nummer. Misschien mag dat voor hem als persoon gelden, toch is er niet echt noemenswaardig veel veranderd. ‘Narrow Stairs’ is een verrijking van de catalogus van Death Cab For Cutie met enkele puike staaltjes van veelzijdigheid, al blijft ‘Transatlanticism’ voorlopig nog steeds onze favoriet.

Eentje uit de (naar internetnormen) oude doos. Geschreven voor Digg begin 2004 maar nooit online gegaan en vandaag per ongeluk teruggevonden op de PC. Mijn mening over deze schitterende plaat is trouwens nog helemaal niks veranderd.

Elvis Costello, Napoleon Dynamite, Declan MacManus, noem de man zoals je wil. In onze ogen kan hij hoe dan ook niks meer fout doen sinds wij hem voor de eerste keer hoorden. Dat was met Watching the Detectives in ’78 of daaromtrent. Zijn hele collectie staat in de kast. Maakt dat ons vooringenomen ? Ongetwijfeld, maar dat kan ons (en u ongetwijfeld al evenmin) geen reet schelen.

‘Blood & Chocolate’ heeft tussen al zijn platen toch een speciaal plaatsje. Het is een album dat je geleidelijk aan gaat waarderen. Elvis spuwt zijn vitriolen teksten als vanouds, maar op dit album lijken zijn woorden ingepakt in prikkeldraad. Dat begint al met Uncomplicated, dat hij als het ware uitkotst over de onthutste luisteraar. De kritiek die hij kreeg op zijn vorige langspeler ‘Goodbye Cruel World’ werd blijkbaar verwerkt op deze schijf, want de hele plaat lang blijft hij zingen alsof de duivel hem op de hielen zit.

Speciale vermelding krijgt Tokyo Storm Warning,dat hij samen met zijn vrouw Cait o‘Riordan schreef en zijn einde van de wereld, de ondergang en het verval van het moderne leven aankondigt. De ‘eentonige’ muziek en het steeds terugkerende refrein zijn getuigen van een dodelijke verveling en oppervlakkigheid.

Costello is sowieso al geen artiest wiens platen je draait als je je goed voelt. Hij bekampt zijn persoonlijke monsters in zijn muziek en is op zijn best als hij de slag verliest. Geen enkel nummer op ‘Blood & Chocolate’ heeft een prettig onderwerp. Steeds draait het om verdriet, woede, lust, hulpeloosheid, verlies en precies dan schittert Napoleon Dynamite. Het lijkt wel of hij zijn verdriet gebruikt als brandstof voor zijn muziek.

The Attractions doen hun werk als vanouds. De broertjes Thomas leveren strak werk als ritmesectie, Steve Nieve vult de gaatjes met piano of orgel en Costello zelf martelt zijn gitaar en vooral zijn stem.

Kan men dan niks slechts verzinnen over deze CD ? Wel, hier en daar zitten foutjes verstopt : een foute noot, Declans stem die overslaat, een instrument dat te laat wordt aangeslagen, maar producer Nick Lowe was zo verstandig die foutjes erin te laten. Op een of andere manier maken zij het geheel nog overtuigender, nog sterker en vooral nog echter.

Als deze plaat nog niet tussen je collectie staat, krijg je nu de kans om nog wat extra’s mee te pikken. Alle oudere CD’s van Costello werden onlangs heruitgebracht, aangevuld met allerlei lekkers, b-kantjes en live-tracks, en dat aan een erg redelijke prijs.

Ondanks wat (roddel)bladen als de NME u en alle andere Britten proberen wijs te maken, is het succes van de Britpop tanende. Af en toe zijn er nog uitschieters, maar het overgrote deel valt eerder onder de gevreesde eenheidsworst. Of Mystery Jets die trend kunnen overstijgen, is moeilijk te zeggen. Hun nieuwe plaat ‘Twenty One’ belooft in elk geval een mooie toekomst.

Hideaway heet het openingsnummer, maar er is geen enkele reden voor de band rond vader en zoon Harrison om zich weg te steken. De puntige gitaren die doorheen het nummer slingeren, vinden meteen de weg naar de juiste kant van je brein.

En dat is dan nog maar het begin van de plaat. U heeft waarschijnlijk al de aanstekelijke single Two Doors Down uit de radio horen schallen. Dan is het u vast ook opgevallen hoe moeilijk het is om dat deuntje uit je hoofd te bannen. Wel, eigenlijk staat dit album bol van dit soort pareltjes.

Luister maar naar Young Love (waarin Laura Marling, een beloftevolle singer-songwriter, een gastrolletje vervult) of het fascinerende Half In Love With Elisabeth (net het enige nummer dat werd geproducet door Stephen Street), dat – zoals wel vaker op dit album – doet denken aan het beste van Kaiser Chiefs. Het verschil zit hem vooral in de opgemerkte stem van Blaine Harrison, hoog, beheerst en perfect passend bij deze muziek.

Dat de jongste Harrison (Blaine speelt toetsen en zingt, vader Henry speelt gitaar en toetsen) kan zingen, wordt vooral duidelijk in rustige nummers als Flakes, waar zijn stem alle aandacht naar zich toe zuigt. Afsluiter Behind The Bunhouse is (vooral aan het begin van het nummer) indrukwekkend om dezelfde reden.

De aandacht de deze groep met hun derde album nu eindelijk krijgt, is meer dan verdiend, gezien het aantal prachtsongs dat deze plaat telt. Dit zijn popliedjes zoals ze horen te zijn: aanstekelijk, dansbaar en helemaal niet voorspelbaar.

Geef die nummers dan ook nog eens leuke titels als Umbrellahead mee en het kan gewoon niet meer stuk. De jarentwintigpiano met daarover enkel en alleen die intrigerende stem dragen het hele nummer. En even verder sta je plots weer onbewust mee te knikken op de tonen van Hand Me Down.

Herkenbaar en toch origineel. Dat kan niet van elke plaat gezegd worden. Maar voor ‘Twenty One’ is het de enige juiste omschrijving. Er staat dit vijftal nog een mooie toekomst te wachten, los van alle heisa rond Britpop.

Als er achter de nummers van een cd dingen staan als “feat. Spank Rock” of “vs Switch and FreQ Nasty”, hebben wij nogal snel de neiging om de cd links te laten liggen. In dit geval werd de nieuwsgierigheid gewekt door de wat vreemde hoes. Het album stak dus in de speler voor we de toevoegingen achter de songtitels hadden opgemerkt. En gelukkig maar …

Santogold – echte naam : Santi White – is geen groentje in de muziekbusiness, ook al is dit pas haar debuut. Ze was en is nog steeds producer, zong al bij skapunkband Stiffed en was onder meer te horen op Mark Ronsons ‘Version’ waar ze Pretty Green van The Jam een eigen draai meegaf. Bovendien schreef ze al songs voor of met Lily Allen, Pharrel Williams en Julian Casablancas van The Strokes. Duidelijk een bezige bij, deze jonge, zwarte vrouw.

Al die invloeden komen in meer- of mindere mate terug op dit album, waardoor het een allegaartje van stijlen is. Toch is dit geen los zand dat krampachtig wordt samengehouden terwijl het tussen je vingers wegglipt. ‘Santogold’ is een opvallend samenhangend album.

De opener zal u ongetwijfeld vertrouwd in de oren klinken. L.E.S. Artistes wordt regelmatig gedraaid op de nationale radio en verdient die aandacht ten volle. Santogolds stem heeft een heel eigen timbre, lijkt ietwat schreeuwerig (een beetje zoals Tegan & Sara), maar past wonderwel bij dit heerlijke liedje. Gecombineerd met die schitterende bas zijn de oren meteen gespitst.

En het album houdt je moeiteloos in de ban. In You’ll Find A Way wordt geflirt met gitaren (heerlijk, dat refrein) en popmuziek die toch steeds tegen het dansbare aanschurkt. Er wordt trouwens niet alleen naar popmuziek dat wordt gelonkt. In Shove It stoeit de Amerikaanse dan weer met dub – ook hier is haar eigenaardige stem volledig op haar plaats - terwijl Say Aha meer naar dansbare new wave overhelt. Let in dat laatste nummer ook op het meezingbare refrein dat vanop het podium ongetwijfeld tot meezingen uitnodigt.

Zelfs voor een ballade als I’m A Lady draait mevrouw White haar hand niet om. Dat is trouwens zowat het enige nummer waarin ze haar stem intoomt en ook dan blijft het resultaat boeiend. De donkergrijze stem van Trouble Andrew - een van de gasten op dit album - geeft het liedje nog extra cachet.

Niet alle songs zijn even opwindend. My Superman en Anne zijn niet echt onze favorieten en ook de remix van You’ll Find A Way waarmee de plaat wordt afgesloten, is ons inziens overbodig. Maar het staat in elk geval buiten kijf dat Santogold een veelbelovend artiest is en de referenties naar M.I.A. en aanverwanten helemaal niet nodig heeft, voor zover ze al van toepassing zijn.

Copyright : daMusic

Noem haar gerust extravagant, Shara Worden, frontvrouw van My Brightest Diamond. Dat uit zich in haar haardracht en kleding, maar ook en vooral in haar muziek. Op haar vorige cd ‘Bring On The Workhorse’ legde ze meer de nadruk op het rocken, maar dat ze ook ingetogen kan klinken, blijkt uit ‘A Thousand Shark’s Teeth’, het tweede album van haar groep.

Asthmatic Kitty Records verblijdde ons al met Sufjan Stevens en Castanets. Maar er zitten meer pareltjes aan die kroon. My Brightest Diamond is er daar een van. Wie haar vorig jaar op Pukkelpop of in Trix bezig zag, kan dat getuigen. Haar stem is op zijn zachtst gezegd uniek en ze verkent dan ook alle mogelijkheden van dat instrument op deze plaat.

Het grootste deel van deze songs werd eigenlijk geschreven voordat er sprake was van het vorige album en dat is duidelijk te horen. De nadruk ligt meer op de strijkers, de klassieke instrumenten, zeg maar. Inside A Boy, de opener sluit nog aan bij de vorige cd met haar krachtige stem die begeleid wordt door aan Jeff Buckley refererende gitaarexplosies. Vanaf het tweede nummer (The Ice And The Storm) wordt de klemtoon echter geleidelijk aan verlegd.

Apples en From The Top Of The World kan je nog catalogeren onder popsong, maar met If I Were Queen is de rocksong volledig omgebouwd tot intiem luisterliedje. De strijkers nemen het bewind over en fungeren als achtergrond voor die steeds weer intrigerende stem. Op dat ogenblik is er geen sprake meer van gitaren of drums. Dit is welhaast kamermuziek (voor zover we daarmee vertrouwd zijn).

Die muzikale koerswijziging – voor zover daarvan sprake kan zijn bij iemand als Shara Worden – wordt de rest van het album gehandhaafd, al komen de meer vertrouwde instrumenten wel hier en daar terug bovendrijven. Het is dan ook voor de doorsnee popmuziekliefhebber geen eenvoudig album om aan één stuk uit te luisteren.

Thematisch wordt er veelvuldig geput uit de wereld van de fantasie. Sprookjes en kinderverhalen vormden de basis van nummers als Like A Sieve en From The Top Of The World. Toch liggen die invloeden er nergens dik bovenop. Worden past alle thema’s aan aan haar eigen leefwereld.

Met The Brightest Diamond wordt de oorsprong van de bandnaam blootgelegd. Het nummer lijkt steeds opnieuw te beginnen met een fluisterzachte ritmesectie en subtiele strijkers op de achtergrond. Halverwege gaat het volume dan toch iets de hoogte in. Op een of andere manier ontbreekt in dit soort nummers toch de explosie, een indruk die trouwens wel vaker terugkomt bij het beluisteren van deze plaat.

Op een podium weet Shara Worden steeds te verbazen. Dat heeft ook te maken met het feit dat zij alleen al een show weet te dragen (getuige haar solo-optreden in Leuven). Deze plaat laat ons achter met een dubbel gevoel. Er staan liedjes op die je sprakeloos achterlaten, maar daartegenover staan een paar nummers, die aan ons niet echt besteed zijn.

Copyright : daMusic