Het was weer zo mooi. Het was weer zo vermoeiend. Het was weer mooi weer. Het was weer … Enfin, u weet wel.

Donderdag

Nooit eenvoudig om koud de tent te worden ingegooid. Maar het Britse Red Light Company (Club) zette desondanks een meer dan respectabele prestatie neer als opener. Poprocksongs met pit is wat zij serveerden. Zanger-gitarist Richard Frenneaux heeft alvast de manieren om Wembley stadium aan te kunnen.

In de Marquee ging Kaizers Orchestra meteen voor het hoogste podium. Met de van hen intussen bekende mix van rock- en volksmuziek werd het publiek moeiteloos ingepalmd. De klassieke gasmaskers, olievaten en autowielvelgen zorgden voor de visuele kick. De muziek deed de rest.

De Chateau had plaats geruimd voor A Mountain Of One. Met overduidelijke invloeden van Pink Floyd (de afsluiter was meer dan een vingerwijzing naar Great Gig In The Sky) en een zanger die het beste van John Cale en Jim Kerr (van Simple Minds) in zich probeert te verenigen, was dit een behoorlijke gig. Niet genoeg voor een finale, maar desondanks erg leuk.

Wie duidelijk voor de medailles ging waren Pigeon Detectives. Een overvolle Marquee zou hem daar moeten brengen. Algauw kwam het déjàvugevoel echter de kop opsteken. Ondanks het nieuwe album is er sinds hun doortocht vorig jaar niet meteen veel veranderd. Het ontbreekt de nieuwe songs aan karakter en body, ook al blijft zanger Matt Bowman nog steeds tot het gaatje gaan, het podium afdwijlen, de microfoon rondslingeren en in het publiek duiken. Dat verdient een zeven voor inzet, maar het geheel wordt er ondanks het enthousiasme van het publiek niet door gered.

Voor Motek (Wablief) is postrock het stadium “post” duidelijk nog niet voorbij. Hun eigenwijze versie wordt met verve gebracht. Vooral het heerlijk uitgesponnen De Vlucht kon ons erg bekoren. Ook al zat het geluid niet altijd perfect, dit verdiende misschien wel edelmetaal.

Op donderdag was het goud weggelegd voor Santogold (Dance Hall), die haar aanstekelijke mengeling van allerlei genres smaakvol en strak wist te brengen. Met twee militair opgeleide en synchroon opererende danseressen/backing vocalists, een dj en een band die afwisselend het voortouw namen en Santi White zelf die haar songs liet knallen, was de aanspraak die zij op de medailles maakte meer dan terecht. Of het nu I’m A Lady was, Say Aha of L.E.S. Artistes, band en dj maakten van dit optreden een vroeg feestje.

In de Chateau viel Little Dragon lichtjes door de mand. De Zweden bleken eerder een grote draak en de opkomst was daarmee dan ook recht evenredig.

Het trio Menomena “houdt van samenzang en verafschuwt ernst”. Woorden uit het door u gekende weekblad gesponsorde programmaboekje die duidelijk heel wat nieuwsgierigen naar de Chateau hadden gelokt. De samenzang was inderdaad prominent aanwezig, maar de humor was echter ver zoek en ondanks enkele betere momenten waarin het tegendraadse het won van het doordeweekse zal dit optreden in de annalen der vergetelijken verdwijnen.

Hoewel de laatste cd van British Sea Power niet echt tot onze favorieten behoort, konden we het niet laten om toch een kijkje te gaan nemen in de Club. En aanvankelijk leek onze mening bevestigd te worden. De songs kabbelden gezapig over het met scheepsvlaggen gedecoreerde podium. De power leek ver zoek.

Maar na Waving Flags kwam daar verandering in. Het zeil werd samen met het niveau de nok in gehesen zodat we nog prima versies te horen kregen van onder andere No Lucipher. Ook afsluiter The Spirit Of St. Louis verdiende op zijn minst een vermelding. Na een wat makke start werd er toch nog een toptijd neergezet.

De grote winnaar van de eerste dag kwam uit een eerder onverwachte hoek. Niet dat we van Iron & Wine (Club) geen kwaliteit verwachtten. Integendeel zelfs. Maar de mate van perfectie waarmee hier werd gemusiceerd, benaderde een spookachtig grote klasse. Met zijn band (met daarin zijn zus Sarah op viool) wist hij zijn fans te betrekken bij de magische kring die hij met zijn muziek aanlegde.

Met Woman King werd de toverkracht opgewekt. Elk detail, van het kleinste belletje tot de basdrum, zat perfect zodat niemand ook maar iets hoefde te missen. Je zou The Devil Never Sleeps en Wolves (Song Of The Shepherd’s Dog) als hoogtepunten kunnen noemen, maar dat zou de andere nummers, die vaak naadloos in elkaar overliepen, onrecht aandoen.

Wie vertrouwd is met Drive-By Truckers, wist waaraan hij zich kon verwachten in de Chateau. Voor nuance was er niet meteen erg veel plaats, ook al bleek hun laatste album toch meer gediversifieerd dan de voorgangers. Afwisselend namen Mike Cooley en Patterson Hood het voortouw. Het was uiteraard weer lekker rocken met nummers als Self Destructive Zone, maar de vonken die er bij deze band soms vanaf springen, leken toch te ontbreken.

Flaming Lips-shows (Marquee) zijn vermaard voor hun levendigheid en animo, maar zowat iedereen wist dat er confettikanonnen zouden zijn, dat Wayne Coyne een rondje over het publiek zou maken in een ballon en dat er teletubbies en aliens aan de zijlijn zouden staan. Dan blijft er enkel nog de muziek en hoewel Race For The Prize en pakweg Yoshimi Battles The Pink Robots nog steeds prima nummers zijn, werd er verder gekozen voor meer obscuur werk, dat aan het festivalpubliek volledig voorbijging. Neem daarbij de wat mank lopende klank in de Marquee en deze doortocht kon niet meteen een succes genoemd worden.

Als je een groep omschrijft als Battles zonder gitaren, zou dat niet echt eerlijk zijn. Holy Fuck (Chateau) gebruikt gedeeltelijk dezelfde middelen: synths, samplers en stemvervormers, maar hun ritmesectie is klassiek en zorgt voor een pompend ritme dat de vermoeide oogleden moeiteloos open hield. Het geheel werd daardoor minder mathematisch, melodieuzer en vooral behoorlijk funkier. Dit was een aangename verrassing als afsluiter van de eerste dag.

Vrijdag

State Radio (Marquee) mocht de kop van de tweede dag afslaan. Leuk idee, die samensmelting van reggaeritmes, pop en soms zelfs tegen metal aanschurkende rock. Alleen jammer dat niet alle liedjes even mooi uitgewerkt zijn. Desalniettemin loont het vast de moeite om dit bandje uit Boston te blijven volgen.

Zucht, alweer een duo met gitaar en drums in de Chateau. Maar voorwaar, The Dodos zijn effectief anders. U hoeft de ogen niet weg te laten draaien. Een akoestische gitaar en een drummer die enkel gebruik maakt van een snare, drie toms en wat cimbalen, maken van dit bandje iets echt origineels. Ons doet het nog het meest aan Eyeless In Gaza denken, een obscure jarentachtigband die het ook met enkel die beperkte middelen deed en de underground nooit is ontstegen. Meric Long verpakte zijn stem ook in galm en de drums – Joe Haener stond het duo bij op vibrafoon en vuilbak – zijn erg naakt en basic. Dit was zonder enige twijfel dé ontdekking van vrijdag.

Nina Nastasia moest haar voorgangers in de Chateau doen vergeten, maar het adrenalinegehalte zat daar duidelijk nog te hoog, waardoor haar eenzamehartensongs tenonder gingen in het festivalgeweld.

Voor Girls In Hawaii was Pukkelpop een thuismatch. De Vlaamse leeuw heeft deze Walen immers al lang in zijn hart gesloten en de Marquee barstte dan ook uit zijn voegen. Terecht, zoals bleek, want de heren spraken niet alleen een aardig mondje Nederlands, hun muziek sprak bovendien boekdelen van encyclopedisch formaat.

Er werd gerockt waar nodig, ingetogen gemusiceerd waar voorzien. Deze groep heeft de status Belgisch Grandaddy al lang overstegen. Hier stond immers een band met een eigen gezicht en een duidelijke missie : aantonen dat dit in heel Europa en verder moet gehoord worden. Dit was wereldklasse. Door de tomeloze inzet was er naast de visuals ook altijd iets te zien op het podium.

Bescheidener maar daarom niet minder indrukwekkend was de show van Caribou. Vaste maatjes van die andere experimentele band, die zaterdag zijn opwachting zou maken, Fuck Buttons, maakten de heren rond Dr Daniel Victor Snaith de Chateau vakkundig in. Twee drumkits stonden prominent vooraan op het toneel uitgestald. Drums die uiteindelijk niet alleen door “vaste” drummer Brad Weber zouden worden gebezigd, maar ook door frontman, gitarist en knoppendraaier Snaith en uiteindelijk zelfs door de hele band.De experimenteerdrift stond nergens in de weg van de melodie met als resultaat dat hier een dijk van een show werd neergezet. De toeschouwers waren dan ook laaiend enthousiast en moesten vaststellen dat de voorziene drie kwartier veel te snel voorbij waren.

Opdondertje Sam Duckworth, beter bekend onder zijn alter ego Get Cape. Wear Cape. Fly (Club) toonde met verve aan dat ook met een akoestische gitaar gedreven muziek kan gemaakt worden. Geruggesteund door een magistrale ritmesectie bracht hij zijn songs (Find The Time kende u ongetwijfeld al van de radio) alsof hij volledig onder de speed zat, fladderend over het podium. Hoewel dat gehos ergens halverwege wat eentonig dreigde te worden, kwam daar naar het einde toe opnieuw verbetering in.

Cold War Kids (Main Stage) hebben net een nieuwe plaat klaar. Pas in september vindt u ze in de winkel, maar Pukkelpop kreeg alvast een voorsmaakje. De toon is opnieuw erg donker, de muziek hoekig en onvoorspelbaar. Op dat grote podium leek de band echter een beetje verloren te lopen. In een kleinere ruimte kunnze nog meer tegen elkaar opbotsen en mekaar uitdagen, terwijl dat hier niet echt leek te lukken. Jawel, St. John en Something’s Not Right With Me blijven van een zeldzame klasse, maar kwamen op een of andere manier op deze zonovergoten wei niet echt over. In november mogen ze herkansen in de Ancienne Belgique.

Wonderlijk genoeg speelde Tunng (Chateau) voor een volle tent. De groep heeft de doorbraak naar het grote publiek nochtans (nog) niet gemaakt. Maar hun attractieve folksongs met vaak hemelse samenzang wisten de toeschouwers terecht te boeien. Het vleugje humor dat daaraan werd toegevoegd (de ode aan Metallica in Soup) was toegevoegde waarde. De band was in grote doen en de reacties waren laaiend enthousiast.

Al van ’s morgens was het overduidelijk dat vooral Metallica (Main Stage) medaillefavoriet zou zijn op vrijdag. De honderden zoniet duizenden t-shirs in combinatie met de voortdurende al dan niet ironische verwijzingen van andere bands (Tunng, Lightspeed Champion, Blood Red Shoes, …) maakten duidelijk dat hier iets te gebeuren stond.

Toen de band het uitgebouwde podium – hellingen, een verhoog en een gigantisch, podiumbreed videoscherm – beklom, bleek de medaille al op voorhand uitgedeeld. James Hetfield zag er niet alleen behoorlijk kwiek uit, ook zijn stem was prima in vorm. De rest van de band was eveneens duidelijk blij nog eens op een podium te kunnen staan.

Je mag er nog zo’n hekel aan hebben, Metallica weet zijn set op te bouwen. Tussen de wat minder bekende nummers wordt op tijd en stond een klassieker gegooid zodat het geheel nergens ook maar enigszins vervelend wordt. And Justice For All was bijvoorbeeld één van die classics. Ook uit het nieuwe album ‘Death Magnetic’ werd al geput met Cyanide, dat terug leek te keren naar de roots van de groep.

Uiteraard was het voor One en nummers als Nothing Else Matters dat het overgrote deel van het publiek geduld had opgebracht. In combinatie met de nodige pyrotechnics en vuurwerk werd hier een prima show opgevoerd, hier en daar gelardeerd met humor (de vingergrap aan het begin van Enter Sandman) en interactie (Master Of Puppets). Dit was een waardige headliner voor dag twee.

Zaterdag

Verbazingwekkend hoeveel festivalgangers hun tent al achter zich hadden gelaten om half twaalf op zaterdag. De Zweedse Lykke Li (Marquee) liet het zich graag welgevallen en onthaalde de vroege vogels – in sommige gevallen eerder verzopen waterkiekens – op een prima gig. Een beetje groen achter de oren nog misschien, maar daarom niet minder doorleefd. Benieuwd wat de toekomst haar zal brengen.

De Club had een warm onthaal klaar voor Look See Proof. Niet dat die meteen baanbrekende muziek maken. Zet ze gerust bij de onstuitbare stroom Britse gitaarbandjes die dezer dagen de wereld proberen te veroveren. Maar hun aanstekelijke energie maakte veel goed. Of dat energiegehalte doorheen hun carrière kan worden aangehouden, blijft nog maar de vraag.

Wie hield van een stevig potje noise, kon terecht in de Chateau waar Fuck Buttons zijn duivels ontketende. Twee jonge knapen achter een tafel vol elektronica en speelgoed overspoelden de aanwezigen met golven van geluid. Dat lijkt misschien eentonig, maar toch zat er voldoende melodie verscholen in het geproduceerde geknars en gepiep. Stemmen werden vervormd langs de Fisher-Price speelgoedmicrofoon of door de synthesizers gehaald. Af en toe werd er ook gebruik gemaakt van beats zonder de noiseliefhebber hiermee echter af te schrikken. Dit resulteerde in een spannend geheel dat voorbij was voor je het besefte. Alleen daarvoor al verdienen deze jongemannen alle respect.

Alweer even geleden dat we Two Gallants (Club) nog aan het werk zagen. Ooit hebben ze al betere concerten gegeven. Dat neemt echter niet weg dat dit duo uit San Francisco – hun muziek moet het in donkere kelders gewonnen hebben van hun zelfmoordplannen – nog steeds een verademing is in vergelijking met veel eendagshypes. Hun murder songs deden toch weer de nodige rillingen over ruggen lopen. Wij genoten vooral van Las Crucas Jail en het op de wals gebaseerde en aan een zekere Eve opgedragen Nothing To You.

MGMT was onverhoopt hoog geprogrammeerd in de Marquee en het publiek was daar maar wat blij om. Dat ene album heeft duidelijk heel wat hartjes voor de band gewonnen want de tent was alweer overvol. Toch was het vertoon dat werd gebracht eerder mak. Hitjes Electric Feel en Time To Pretend. Konden de handen uiteraard op elkaar krijgen, maar verder was er bitter weinig te beleven. Of het moest de afsluiter zijn waarbij de heren zingen over een voorgeprogrammeerd deuntje. Het mocht toch wel iets meer zijn.

Psychedelica werd pas onlangs terug opgevist uit de olympische archieven der muziek. Black Mountain ging in de Club resoluut voor de overwinning. Met op de blues geschoeide en naar de topzware kost uit de jaren tachtig verwijzende muziek werd een fabuleuze prestatie neergepoot. Amber Webber, een met een duidelijk klassiek geschoolde stem gezegende dame zorgde samen met gitarist Stephen McBean voor de vocals, terwijl een uitstekende ritmesectie en een toetsenist de nodige accenten legden. Afsluiter Tyrants was het beste bewijs dat dat verdomd spannende resultaten kon opleveren. Maar ook daarvoor al was het prijs met Wucan. Retro? Absoluut, maar wat is er tegenwoordig niet retro?

Feestjes bouwen kan Jamie Lidell (Marquee) als de beste en dat is dan ook wat geschiedde. Of het nu met zijn band was, alleen met een batterij synthesizers en samplers of doodgewoon a capella, hij bespeelde de tent als een liefdevolle koning zijn onderdanen.Dat hij er als een halvegare uitzag, deed nergens terzake. Another Day (met band), Call Back Around (solo) of de absoluut grandioze afsluiter Multiply (a capella), alles was even magistraal en zette de hele zaak in rep en roer. Zowel de fan als de leek kon hiervan genieten, al waren er opnieuw problemen met de uit de kluiten gewassen bassen.

Elbow fungeerde als festivalslot in de Marquee. De groep is duidelijk gegroeid sinds ze hun eerste werk op plaat zette. Ook hier wordt de volmaaktheid benaderd zonder dat het resultaat ook maar ergens uit kunststof vervaardigd lijkt. Hier stonden muzikanten van vlees en bloed, die hun ervaring, emoties en klasse graag voor het publiek tentoonspreidden.

Na het blazerskunstje in Starlings, ontdeed voorman Guy Garvey zich van zijn vest en hoed en struinde hij over het podium als een operazanger die zijn teksten met wijde gebaren aan de rand van het podium kracht bijzette, daarbij beurtelings de linkse en de rechts kant van de tent bejegenend.

Muzikaal was het vooral uit ‘The Seldom Seen Kid’ dat werd geciteerd met The Bones Of You, Mirrorball en Grounds For Divorce, samen met single en afsluiter One Day Like This zowat het sterkste werk uit dat album. Kippenvel was er bij Forget Myself dat enthousiast werd meegezongen.

Als afsluiter van het festival kreeg Elbow nog het voorrecht om met Scattered Black And Whites een bisnummer te spelen. Meteen de ideale gelegenheid voor Garvey om hoed en vest terug op te pikken, klaar om samen met de zowat honderdvijftigduizend andere bezoekers al dan niet na nog een klein feestje met Soulwax op de Main Stage, huiswaarts te keren.

Tussendoor nog genoten van stukjes van o.a. een prima Lightspeed Champion, een feestelijk Das Pop, een curieus The Rones, een wonderlijk goed Bloc Party en de dansles in de Wablieftent en weggelopen bij Hot Chip, Blood Red Shoes en Martina Topley-Bird.

Copyright foto’s : Cutting Edge

Geef een reactie