Ruim vijfentwintig jaar al maakt Joe Satriani voornamelijk instrumentale muziek. In die tijd heeft hij een volkomen eigen stijl uitgewerkt. Een stijl die vaak werd geïmiteerd, maar slechts zelden ook maar benaderd. Geen wonder dat de opkomst voor zijn doortocht naar aanleiding van zijn nieuwbakken album ‘Professor Satchafunkilus And The Musterion Of Rock’nog steeds ver boven het gemiddelde ligt. De liefhebbers van het betere gitaarwerk dragen Satriani nu eenmaal in hun hart.
De tropische temperatuur in het Koninklijk Circus maakt het de vermoeide luisteraar niet eenvoudig om de aandacht bij het voorprogramma te houden. De ogen dreigen onvermijdelijk dicht te vallen terwijl Ned Evett het publiek net zou moeten wakker houden. De muziek heeft wat weg van de bluesrockuitstapjes van Gary Moore, maar de zanger-gitarist heeft noch de nummers noch de stem om ook maar te kunnen tippen aan zijn voorbeeld.
Nee, geef ons dan maar duizend keer de grootmeester zelf. Tegen een kleurrijk verlichte achtergrond wordt het concert op de tonen van I Just Wanna Rock op de sporen gezet. En Satch, zoals zijn fans hem liefkozend noemen, zet er meteen de nodige vaart achter. Overdriver steekt helemaal het vuur aan de lont en er volgen nog heel wat explosies.
Afwisseling zit er ook voldoende in de set. Met Ice 9 uit debuut ‘Surfing With The Alien’ wordt de voet nog op het gaspedaal gehouden, maar tijdens Flying In A Blue Dream kan het publiek toch even naar adem happen.
Zoals steeds heeft de over het podium huppelende frontman zich weer omringd met de nodige klasse. Stu Hamm zorgt opnieuw voor het nodige basvuurwerk (ondanks de wat overbodige want al eerder geziene solo) en ritmegitarist Galen Henson en drummer Jeff Campitelli behoren intussen tot de oudgedienden. Zelfs roadie Mike Manning wordt even in de muzikale bloemetjes gezet.
Vaak valt je mond open van verbazing als weer eens blijkt dat hij de scratches waarmee Musterion wordt ingezet uit zijn gitaar tevoorschijn tovert. Als zijn vingers over de frets van zijn gitaar fladderen, kan je niet anders dan bewonderend toekijken. Bovendien blijven nummers als het onovertroffen Always With You, Always With Me van een haast bovenaardse schoonheid.
Het hoeft geen betoog dat hij na een kort intermezzo de zaal weet te doen rechtveren om de toeschouwers luid Crowd Chant te doen meebrullen om dan uiteindelijk met Summer Song de kers op de taart te zetten.
Meer dan twee uur je publiek weten te boeien louter met instrumentale nummers, het is niet elk muzikant gegeven. Dan nemen wij de klassieke rockposes er graag bij. Het aantal haren op zijn hoofd is intussen drastisch teruggebracht, maar zijn streken is Satriani nog duidelijk niet verleerd. En gelukkig maar.
Copyright : daMusic
Meer foto’s op Photobucket
Nostalgia
27 mei 2008
Buiten een prachtig nummer van David Sylvian, is dat ook een gevoel waar ik me wel eens aan bezondig. Vrijdag ll. was het nog zover, toen ik samen met Guy Swinnen in zijn tuin zat te lullen over de tijd dat we beiden in Turnhout naar school gingen.
Mijmeren over cafeetjes met schitterende namen als “De Ranonkel” en de in Turnhout lange tijd vermaarde “Zwarte Ruiter”. Toen ik maar niet meer op de naam van dat newwavekot in een achterafsteegje aan het Zegeplein kon komen, was Guy er als de kippen bij om de naam te vervolledigen : “The Coke”. Beetje saaie naam eigenlijk, maar de muziek die ze er draaiden, was geweldig. Daar hoorde ik voor de eerste keer Los Ninos Del Parque of Butthole Surfers‘ Harley Davidson Of A Bitch.
En David Sylvians muziek past daar zo mooi bij. Sluit je ogen en laat je meedrijven. Beleef de opwinding opnieuw. Zwelg in nostalgie kortom.
Santogold - Santogold
26 mei 2008
Als er achter de nummers van een cd dingen staan als “feat. Spank Rock” of “vs Switch and FreQ Nasty”, hebben wij nogal snel de neiging om de cd links te laten liggen. In dit geval werd de nieuwsgierigheid gewekt door de wat vreemde hoes. Het album stak dus in de speler voor we de toevoegingen achter de songtitels hadden opgemerkt. En gelukkig maar …
Santogold – echte naam : Santi White – is geen groentje in de muziekbusiness, ook al is dit pas haar debuut. Ze was en is nog steeds producer, zong al bij skapunkband Stiffed en was onder meer te horen op Mark Ronsons ‘Version’ waar ze Pretty Green van The Jam een eigen draai meegaf. Bovendien schreef ze al songs voor of met Lily Allen, Pharrel Williams en Julian Casablancas van The Strokes. Duidelijk een bezige bij, deze jonge, zwarte vrouw.
Al die invloeden komen in meer- of mindere mate terug op dit album, waardoor het een allegaartje van stijlen is. Toch is dit geen los zand dat krampachtig wordt samengehouden terwijl het tussen je vingers wegglipt. ‘Santogold’ is een opvallend samenhangend album.
De opener zal u ongetwijfeld vertrouwd in de oren klinken. L.E.S. Artistes wordt regelmatig gedraaid op de nationale radio en verdient die aandacht ten volle. Santogolds stem heeft een heel eigen timbre, lijkt ietwat schreeuwerig (een beetje zoals Tegan & Sara), maar past wonderwel bij dit heerlijke liedje. Gecombineerd met die schitterende bas zijn de oren meteen gespitst.
En het album houdt je moeiteloos in de ban. In You’ll Find A Way wordt geflirt met gitaren (heerlijk, dat refrein) en popmuziek die toch steeds tegen het dansbare aanschurkt. Er wordt trouwens niet alleen naar popmuziek dat wordt gelonkt. In Shove It stoeit de Amerikaanse dan weer met dub – ook hier is haar eigenaardige stem volledig op haar plaats - terwijl Say Aha meer naar dansbare new wave overhelt. Let in dat laatste nummer ook op het meezingbare refrein dat vanop het podium ongetwijfeld tot meezingen uitnodigt.
Zelfs voor een ballade als I’m A Lady draait mevrouw White haar hand niet om. Dat is trouwens zowat het enige nummer waarin ze haar stem intoomt en ook dan blijft het resultaat boeiend. De donkergrijze stem van Trouble Andrew - een van de gasten op dit album - geeft het liedje nog extra cachet.
Niet alle songs zijn even opwindend. My Superman en Anne zijn niet echt onze favorieten en ook de remix van You’ll Find A Way waarmee de plaat wordt afgesloten, is ons inziens overbodig. Maar het staat in elk geval buiten kijf dat Santogold een veelbelovend artiest is en de referenties naar M.I.A. en aanverwanten helemaal niet nodig heeft, voor zover ze al van toepassing zijn.
Copyright : daMusic
Yippeekayee (reprise)
24 mei 2008
Plichtsgetrouw stonden ze met zijn vieren op een rij: de diehards van daMusic. How About Mafias was al een tijdje aan het spelen en deed dat trouwens bijzonder goed al was het bijna letterlijk voor de spreekwoordelijke drie man en een paardenkop dat ze hun ding aan het doen waren. Het was scherp als het moest, ingetogen wanneer nodig, maar altijd to the point. Die mannen zijn echt goed bezig en verdienen het om gevolgd te worden.
Na het optredentje (40 minuten want niet meer songs voorhanden) nam Bram de muzikale teugels in handen om de boel levend te houden. Het aangename weer zorgde ervoor dat je ook buiten nog tot in de vroege uurtjes kon genieten van een babbeltje. Zelf ben ik daar niet echt zo voor te vinden. Ik voel me dan vaak een barkrukmadeliefje (al is het soms eerder een pisbloem). Sociaal gedrag is mij blijkbaar nooit aangeleerd. O jawel, als ik aangesproken wordt, zal ik zeker vriendelijk antwoorden, maar zelf het initiatief nemen is niet echt aan mij besteed.
Wel jammer dat ik Lene zo ben misgelopen, natuurlijk. Maar er komen vast nog gelegenheden.
My Brightest Diamond - A Thousand Shark’s Teeth
22 mei 2008
Noem haar gerust extravagant, Shara Worden, frontvrouw van My Brightest Diamond. Dat uit zich in haar haardracht en kleding, maar ook en vooral in haar muziek. Op haar vorige cd ‘Bring On The Workhorse’ legde ze meer de nadruk op het rocken, maar dat ze ook ingetogen kan klinken, blijkt uit ‘A Thousand Shark’s Teeth’, het tweede album van haar groep.
Asthmatic Kitty Records verblijdde ons al met Sufjan Stevens en Castanets. Maar er zitten meer pareltjes aan die kroon. My Brightest Diamond is er daar een van. Wie haar vorig jaar op Pukkelpop of in Trix bezig zag, kan dat getuigen. Haar stem is op zijn zachtst gezegd uniek en ze verkent dan ook alle mogelijkheden van dat instrument op deze plaat.
Het grootste deel van deze songs werd eigenlijk geschreven voordat er sprake was van het vorige album en dat is duidelijk te horen. De nadruk ligt meer op de strijkers, de klassieke instrumenten, zeg maar. Inside A Boy, de opener sluit nog aan bij de vorige cd met haar krachtige stem die begeleid wordt door aan Jeff Buckley refererende gitaarexplosies. Vanaf het tweede nummer (The Ice And The Storm) wordt de klemtoon echter geleidelijk aan verlegd.
Apples en From The Top Of The World kan je nog catalogeren onder popsong, maar met If I Were Queen is de rocksong volledig omgebouwd tot intiem luisterliedje. De strijkers nemen het bewind over en fungeren als achtergrond voor die steeds weer intrigerende stem. Op dat ogenblik is er geen sprake meer van gitaren of drums. Dit is welhaast kamermuziek (voor zover we daarmee vertrouwd zijn).
Die muzikale koerswijziging – voor zover daarvan sprake kan zijn bij iemand als Shara Worden – wordt de rest van het album gehandhaafd, al komen de meer vertrouwde instrumenten wel hier en daar terug bovendrijven. Het is dan ook voor de doorsnee popmuziekliefhebber geen eenvoudig album om aan één stuk uit te luisteren.
Thematisch wordt er veelvuldig geput uit de wereld van de fantasie. Sprookjes en kinderverhalen vormden de basis van nummers als Like A Sieve en From The Top Of The World. Toch liggen die invloeden er nergens dik bovenop. Worden past alle thema’s aan aan haar eigen leefwereld.
Met The Brightest Diamond wordt de oorsprong van de bandnaam blootgelegd. Het nummer lijkt steeds opnieuw te beginnen met een fluisterzachte ritmesectie en subtiele strijkers op de achtergrond. Halverwege gaat het volume dan toch iets de hoogte in. Op een of andere manier ontbreekt in dit soort nummers toch de explosie, een indruk die trouwens wel vaker terugkomt bij het beluisteren van deze plaat.
Op een podium weet Shara Worden steeds te verbazen. Dat heeft ook te maken met het feit dat zij alleen al een show weet te dragen (getuige haar solo-optreden in Leuven). Deze plaat laat ons achter met een dubbel gevoel. Er staan liedjes op die je sprakeloos achterlaten, maar daartegenover staan een paar nummers, die aan ons niet echt besteed zijn.
Copyright : daMusic
Mike Patton - A Perfect Place - OST
22 mei 2008
“You are seriously disturbed.” Het is een citaat uit de film ‘A Perfect Place’ waarvoor Mike Patton de muziekscore schreef. Bij nader inzien is het citaat ook toepasselijk op de muzikant. Je kan het zo gek niet bedenken of hij heeft het wel gedaan. En filmmuziek hoort daar uiteraard ook bij.
Voor alle duidelijkheid: ‘A Perfect Place’ is geen langspeelfilm. Het betreft hier een kortfilm van zo’n vijfentwintig minuten. Wie zich de special edition aanschaft, krijgt er trouwens meteen de hele film bij en dat is wel zo handig. Met de film in het achterhoofd krijgt de muziek toch wat meer diepgang.
Het is niet de bedoeling dat de plot van de film hier volledig uit de doeken gedaan wordt. Daarvoor zijn er voldoende andere bronnen. Toch is het wel leuk om te weten dat dit het soort geschifte film is dat ook van de gebroeders Coën (van ‘Fargo’ en ‘O Brother, Where Art Thou?’) had kunnen zijn. Regisseur Derrick Scocchera vist voor zijn onderwerpen en figuren duidelijk in dezelfde vijver. Het mag dan ook geen wonder heten dat hij precies bij wacko Mike Patton uitkomt om zijn film van muziek te voorzien.
En uiteraard heeft Patton zich daar met plezier in gesmeten. Nummers als de Main Title en A Dream Of Roses moeten de film in de jaren ’30 en ‘40 plaatsen, al is dat uiteraard nooit een garantie. Ze hebben een jazzy gevoel over zich dat als een soort patroon terugkeert doorheen het hele album.
Toch zit er ook meer dan voldoende experiment in de film. Het titelnummer is daarvan het beste bewijs. De synthesizer in combinatie met het gefloten deuntje en de volledig overstuurde gitaren passen volledig bij het ongemakkelijke gevoel waarmee ook de film je opzadelt. Dat geldt trouwens ook voor een nummer als Seriously Disturbed.
Wie overweegt ‘A Perfect Place’ aan te schaffen omdat hij bij Mike Patton aan Faith No More, Fantomas of meer recent Peeping Tom denkt, komt echter volkomen bedrogen uit. Ten eerste is dit filmmuziek en dus keren bepaalde thema’s steeds terug (Main Title Reprise) en ten tweede heeft dit helemaal niets te maken met Pattons andere werk. Wie wel wat ziet in jazz en vooral swing, kan hier toch zijn hartje ophalen, al dient ook hij op zijn hoede te zijn voor addertjes onder het gras.
Het is wel jammer dat de eindtune van de film, We All Make The Flowers Grow van Lee Hazlewood niet is opgenomen op de cd. Desondanks is dit een interessant hebbeding voor al wie iets heeft met Mike Patton en zijn diverse uitspattingen. Wie echter niet open staat voor experiment, kan zich dit kleinood beter ontzeggen.
Yippeekayee, motherfucker
19 mei 2008
Kijk, dat heb ik nu altijd al eens willen schrijven. Hierdoor wordt deze website lekker geweerd door allerlei idiote programma’s die moeten voorkomen dat werknemers naar sekssites (alweer een woord dat gecensureerd zal worden) surfen. Maar we wijken af.
Het is de bedoeling dat dit stukje gaat over ‘4 jaar daMusic’ dat aanstaande vrijdag eerder onverwacht wordt gevierd in de Video in Gent. Zelf ben ik sinds … - ja, sinds wanneer eigenlijk? Even checken - sinds maart 2006 dus ingelijfd. Sindsdien heb ik dankzij deze ongelooflijk goede, originele, interessante, boeiende - opgepast voor kortsluitingen met al dat geslijm - website al fantastische concerten gezien en heb ik dat bovendien kunnen combineren met een andere liefhebberij : schrijven. Ook financieel was dat uiteraard mooi meegenomen. Waar mijn budget voor concerten vroeger wel eens de spuigaten durfde uit te lopen, wordt dat nu netjes binnen de perken gehouden.
Een welgemeende fuc… euh merci, is hier dus op zijn plaats. En uiteraard : nog vele jaren, hé meisjes en jongens.
Too Hot To Move
15 mei 2008
Het was 1989 (ik geef het toe: ik heb gespiekt.) Ergens had ik dat intrigerend liedje opgepikt dat Goodbye Little Boy heette. Het was een jongedame die dat zong (Jill Birt). Maar toen ik de bijhorende cd (’The Black Swan’) in de speler stak, was het die intrigerende stem van David McComb die het hem helemaal deed. Voor wie het nog niet door had: ik heb het over The Triffids, samen met Cave het beste wat aan de andere kant van de wereld op muzikaal vlak werd geproduceerd.
De afgelopen dagen was het effectief weer Too Hot To Move, Too Hot To Think (luister hier naar een middelmatige YouTubeversie) en dus kreeg ik dat refrein niet uit mijn hoofd : “And from this window / I can see the street below / I can hear the hitparade / On the radio / There’s dirty dishes / Piling up in the Sink / But it’s too hot to move / And it’s too hot to think”. Ik heb de zwoelheid van de zomer nooit meer zo goed verwoord gehoord dan in dat zo herkenbare refrein. Wat is het toch doodzonde dat McComb ons veel te vroeg werd ontstolen.
Adem - Takes
12 mei 2008
Het leuke van een coveralbum is dat het je doet teruggrijpen naar de originelen. Soms ontdek je op die manier liedjes die je over het hoofd hebt gezien of simpelweg onderschat, weggewuifd als een niemendalletje. Pas in een andere versie zie je er de schoonheid van in. Of misschien ken je het origineel helemaal niet en brengt de cover nieuwe horizonten aan het licht. Dat is in elk geval wat ‘Takes’ van Londense folkie Adem doet.
De keuzes van Adem zijn niet voor de hand liggend en hij is zo vriendelijk geweest om in de liner notes niet alleen de auteurs, maar ook de eigenlijke uitvoerders te vermelden. Zo komt de luisteraar tot de ontdekking dat naast het voor ons Belgen overbekende Hotellounge van dEUS ook minder bekend werk van groepen als Bedhead of Tortoise aan bod komen.
Zoals het een goede folk singer betaamt, kleedt hij de nummers helemaal uit om tot de rauwe kern te komen. En dat werkt wonderwel. Zelfs de magie van het u ongetwijfeld vertrouwd in de oren klinkende Loro van Pinback blijft overeind, al is dat helemaal niet het beste wat op dit plaatje wordt gebracht. Luister bijvoorbeeld maar eens naar Oh My Lover (origineel van PJ Harvey) dat je maag doet samenkrimpen en je huid doet tintelen. Het origineel was al behoorlijk beklijvend en hier is de hartenpijn haast tastbaar.
Ongetwijfeld krijgt hij karrenvrachten kritiek over zich heen omdat hij het aangedurfd heeft een (in België tenminste) heilig verklaarde song als Hotellounge te coveren. Toch sta je versteld van de impact die dit nummer in akoestische versie meekrijgt. Het is een huizenhoog cliché maar de haren rijzen ons ten berge telkens we dit nummer uit de boxen horen schallen.
Luister vooral ook naar het instrumentale Gamera (oorspronkelijk van Tortoise). De postrock van John McEntire en consoorten wordt hier herleid tot wonderschone eenvoud, die je de ogen doet sluiten en wegdromen naar betere oorden. Geen idee wat het eventuele onderwerp van dit nummer ook maar zou kunnen zijn, maar het moet ongelooflijk mooi geweest zijn en Adem heeft dat duidelijk begrepen.
Misschien zijn het inderdaad maar ‘Takes’, momentopnamen, maar dan wel momentopnamen om even bij stil te staan. De vorige platen van Adem werden niet meteen met lof overladen, maar met deze plaat bewijst hij dan toch meer in zijn mars te hebben. Het mag dan al een coverplaat zijn. Er zijn legio voorbeelden van artiesten die het bijna louter met covers hebben gemaakt. Als je er genoeg van jezelf in stopt, wordt aan het eindproduct immers steeds een meerwaarde toegevoegd.
Copyright : daMusic
Doorheen zijn hele back catalogue is het aantal songs van Joe Satriani waarop een stem te horen is, op één hand te tellen. Dat is niet anders op zijn nieuwste album ‘Professor Satchafunkilus And The Musterion Of Rock’. Satriani blijft onvoorwaardelijk trouw aan wat hij als standaard heeft gezet: de gebalde rocksong zonder vocalen.
Die stem ontbreekt ook nooit echt in zijn nummers. Hij weet zijn gitaar zo te bespelen dat het lijkt of het dat instrument is dat tot je spreekt. En dat is iets dat je niet terug vindt bij andere gitaarhelden als Tony MacAlpine of Yngwie Malmsteen. Ook zij weten hun gitaar virtuoos te bespelen, maar hebben zich beperkt tot de gitaar als muziekinstrument naast de stem, waar Satriani die gitaar expliciet naar de voorgrond haalt.
Satriani experimenteert al vanaf het begin van zijn carrière. Hij maakte al uitstapjes naar de blues (de magistrale titelloze plaat hoort nog steeds tot zijn beste werk) en andere genres. Op deze cd schuwt hij het experiment al evenmin. Dat wordt al meteen duidelijk in Musterion dat met scratches doorspekt is. In Professor Satchafunkilus wordt geknipoogd naar Bootsy Collins en andere funky dudes. Drummer Jeff Campitelli en bassist Matt Bissonette, beiden al oudgedienden bij Satriani, leggen de bijzonder eenvoudige funky basis waarover Satriani zoals steeds zijn geïnspireerde licks uitspreidt.
Funk is trouwens niet de enige invloed die je terug hoort. I Just Wanna Rock is zijn eerbetoon aan Australische rockers AC/DC. Het oogt eenvoudig, maar sleept je ontegensprekelijk mee de pogopit in. Uiteraard geeft de hoofdrolspeler zijn eigen draai aan de gitaarsolo’s, maar het moge meer dan duidelijk zijn dat ook hij wel eens hoofdschuddend tekeer gaat op Angus Youngs uitspattingen.
Voor het hoogtepunt van deze plaat moet je wachten tot het allerlaatste nummer. Andalusia opent zoals je dat verwacht: met handgeklap en Spaanse gitaren. Maar deze rust is maar schijn. Want net zoals deze Spaanse regio is ook dit nummer soms toegankelijk, speels, klassiek, maar het volgende moment vuig rockend, spijkerhard en onherbergzaam. Wanneer het nummer openbarst als een rijpe wonde, snijdt Satriani’s gitaar tot op het bot.
Het mag er dan op lijken dat de mogelijkheden van instrumentale platen toch beperkter zijn dan die met vocalen, Satriani bewijst met deze plaat nog maar eens dat hij 25 jaar na ‘Surfing With The Alien’ nog steeds op eenzame hoogte prijkt. Wat ons betreft mag hij dus gerust zijn gang blijven gaan.
Copyright : daMusic









