Too Hot To Move

15 mei 2008

Het was 1989 (ik geef het toe: ik heb gespiekt.) Ergens had ik dat intrigerend liedje opgepikt dat Goodbye Little Boy heette. Het was een jongedame die dat zong (Jill Birt). Maar toen ik de bijhorende cd (’The Black Swan’) in de speler stak, was het die intrigerende stem van David McComb die het hem helemaal deed. Voor wie het nog niet door had: ik heb het over The Triffids, samen met Cave het beste wat aan de andere kant van de wereld op muzikaal vlak werd geproduceerd.

De afgelopen dagen was het effectief weer Too Hot To Move, Too Hot To Think (luister hier naar een middelmatige YouTubeversie) en dus kreeg ik dat refrein niet uit mijn hoofd : “And from this window / I can see the street below / I can hear the hitparade / On the radio / There’s dirty dishes / Piling up in the Sink / But it’s too hot to move / And it’s too hot to think”. Ik heb de zwoelheid van de zomer nooit meer zo goed verwoord gehoord dan in dat zo herkenbare refrein. Wat is het toch doodzonde dat McComb ons veel te vroeg werd ontstolen.

Adem - Takes

12 mei 2008

Het leuke van een coveralbum is dat het je doet teruggrijpen naar de originelen. Soms ontdek je op die manier liedjes die je over het hoofd hebt gezien of simpelweg onderschat, weggewuifd als een niemendalletje. Pas in een andere versie zie je er de schoonheid van in. Of misschien ken je het origineel helemaal niet en brengt de cover nieuwe horizonten aan het licht. Dat is in elk geval wat ‘Takes’ van Londense folkie Adem doet.

De keuzes van Adem zijn niet voor de hand liggend en hij is zo vriendelijk geweest om in de liner notes niet alleen de auteurs, maar ook de eigenlijke uitvoerders te vermelden. Zo komt de luisteraar tot de ontdekking dat naast het voor ons Belgen overbekende Hotellounge van dEUS ook minder bekend werk van groepen als Bedhead of Tortoise aan bod komen.

Zoals het een goede folk singer betaamt, kleedt hij de nummers helemaal uit om tot de rauwe kern te komen. En dat werkt wonderwel. Zelfs de magie van het u ongetwijfeld vertrouwd in de oren klinkende Loro van Pinback blijft overeind, al is dat helemaal niet het beste wat op dit plaatje wordt gebracht. Luister bijvoorbeeld maar eens naar Oh My Lover (origineel van PJ Harvey) dat je maag doet samenkrimpen en je huid doet tintelen. Het origineel was al behoorlijk beklijvend en hier is de hartenpijn haast tastbaar.

Ongetwijfeld krijgt hij karrenvrachten kritiek over zich heen omdat hij het aangedurfd heeft een (in België tenminste) heilig verklaarde song als Hotellounge te coveren. Toch sta je versteld van de impact die dit nummer in akoestische versie meekrijgt. Het is een huizenhoog cliché maar de haren rijzen ons ten berge telkens we dit nummer uit de boxen horen schallen.

Luister vooral ook naar het instrumentale Gamera (oorspronkelijk van Tortoise). De postrock van John McEntire en consoorten wordt hier herleid tot wonderschone eenvoud, die je de ogen doet sluiten en wegdromen naar betere oorden. Geen idee wat het eventuele onderwerp van dit nummer ook maar zou kunnen zijn, maar het moet ongelooflijk mooi geweest zijn en Adem heeft dat duidelijk begrepen.

Misschien zijn het inderdaad maar ‘Takes’, momentopnamen, maar dan wel momentopnamen om even bij stil te staan. De vorige platen van Adem werden niet meteen met lof overladen, maar met deze plaat bewijst hij dan toch meer in zijn mars te hebben. Het mag dan al een coverplaat zijn. Er zijn legio voorbeelden van artiesten die het bijna louter met covers hebben gemaakt. Als je er genoeg van jezelf in stopt, wordt aan het eindproduct immers steeds een meerwaarde toegevoegd.

Copyright : daMusic

Doorheen zijn hele back catalogue is het aantal songs van Joe Satriani waarop een stem te horen is, op één hand te tellen. Dat is niet anders op zijn nieuwste album ‘Professor Satchafunkilus And The Musterion Of Rock’. Satriani blijft onvoorwaardelijk trouw aan wat hij als standaard heeft gezet: de gebalde rocksong zonder vocalen.

Die stem ontbreekt ook nooit echt in zijn nummers. Hij weet zijn gitaar zo te bespelen dat het lijkt of het dat instrument is dat tot je spreekt. En dat is iets dat je niet terug vindt bij andere gitaarhelden als Tony MacAlpine of Yngwie Malmsteen. Ook zij weten hun gitaar virtuoos te bespelen, maar hebben zich beperkt tot de gitaar als muziekinstrument naast de stem, waar Satriani die gitaar expliciet naar de voorgrond haalt.

Satriani experimenteert al vanaf het begin van zijn carrière. Hij maakte al uitstapjes naar de blues (de magistrale titelloze plaat hoort nog steeds tot zijn beste werk) en andere genres. Op deze cd schuwt hij het experiment al evenmin. Dat wordt al meteen duidelijk in Musterion dat met scratches doorspekt is. In Professor Satchafunkilus wordt geknipoogd naar Bootsy Collins en andere funky dudes. Drummer Jeff Campitelli en bassist Matt Bissonette, beiden al oudgedienden bij Satriani, leggen de bijzonder eenvoudige funky basis waarover Satriani zoals steeds zijn geïnspireerde licks uitspreidt.

Funk is trouwens niet de enige invloed die je terug hoort. I Just Wanna Rock is zijn eerbetoon aan Australische rockers AC/DC. Het oogt eenvoudig, maar sleept je ontegensprekelijk mee de pogopit in. Uiteraard geeft de hoofdrolspeler zijn eigen draai aan de gitaarsolo’s, maar het moge meer dan duidelijk zijn dat ook hij wel eens hoofdschuddend tekeer gaat op Angus Youngs uitspattingen.

Voor het hoogtepunt van deze plaat moet je wachten tot het allerlaatste nummer. Andalusia opent zoals je dat verwacht: met handgeklap en Spaanse gitaren. Maar deze rust is maar schijn. Want net zoals deze Spaanse regio is ook dit nummer soms toegankelijk, speels, klassiek, maar het volgende moment vuig rockend, spijkerhard en onherbergzaam. Wanneer het nummer openbarst als een rijpe wonde, snijdt Satriani’s gitaar tot op het bot.

Het mag er dan op lijken dat de mogelijkheden van instrumentale platen toch beperkter zijn dan die met vocalen, Satriani bewijst met deze plaat nog maar eens dat hij 25 jaar na ‘Surfing With The Alien’ nog steeds op eenzame hoogte prijkt. Wat ons betreft mag hij dus gerust zijn gang blijven gaan.

Copyright : daMusic

Een stadsfestival als Les Nuits du Botanique heeft altijd wel de nodige aantrekkingskracht. Als je dan met één ticket ook nog eens in de vier beschikbare zalen terecht kan, mag je er op rekenen dat de opkomst groot zal zijn. Het betekent natuurlijk wel dat je moet kiezen en dat je voor volle en dus ontoegankelijke zalen kan komen te staan. Interessant was het programma in elk geval genoeg.

Neem The Germans bijvoorbeeld. Dit kwartet uit Gent staat niet meteen bekend om zijn zachtzinnige aanpak. Aankloppen was dan ook niet nodig. Gewoon de deur opentrappen en de muziek over de luisteraars heen storten. En dat is precies wat de band deed. Op het podium staat het schuim hen op de lippen en schieten hun ogen vuur.

Het is al even geleden dat we nog dergelijke energie en spelplezier van een stel musici hebben zien afstralen. Zanger-gitarist Jakob Ampe werkt zijn woede uit op de microfoon, ritmesectie Lennert en Timothy Jacobs blazen je de lucht uit de longen en leadgitarist Vincent Cauwels slaat spijkers met koppen. De nummers zijn sterk en doen je de vuisten ballen, laden je batterijen weer op en brengen de doden tot leven. Hulde!

De nieuwsgierigheid drijft ons de tent binnen. In de VS wordt vol lof gesproken over Of Montreal. De psychedelische popmuziek die daar te horen valt, kan ons echter niet echt bekoren, waarna we elders naar ander vertier op zoek gaan.

De voor Timesbold tot de nok toe gevulde Rotonde doet ons noodgedwongen terugkeren naar de orangerie waar Blood Red Shoes de zaal wel in beweging krijgt. Piepjong zien ze eruit: drummer Steven Ansell en gitariste Laura-Mary Carter. De ene slaat zijn frustraties van zich af, terwijl de andere haar gezicht voortdurend verstopt achter haar haren. Maar songs als I Wish I Was Someone Better gaan er in elk geval in als zoete koek.

Dat Two Gallants steeds de moeite loont, is al lang geen geheim meer. Adam Stephens (gitaar) en Tyson Vogel (drums) weten met beperkte middelen zoveel emotie en opgekropte frustraties in hun muziek te leggen dat het op de duur beangstigend wordt. Wat immers te denken van een zaal die luidop meebrult : “Death’s comin’ / And I’m still runnin’” (uit Steady Rollin’). Je zou van minder rillingen krijgen.

Helaas hebben ze vanavond  - de eerste show van hun Europese tournee – te kampen met technische problemen, waardoor er veelvuldig van kabels dient gewisseld te worden. Hoewel Stephens zoals steeds onbewogen zijn set afwerkt, heb je toch de indruk dat de concentratie na een tijdje weg is. Toch is het heerlijk om Seems Like Home To Me te horen overgaan in een lichtjes aangepaste versie van hoger vermelde single. En ook op Las Crucas Jail wordt volop uit de bol gegaan.

Terwijl ook Of Montreal volop aandacht had voor het visuele aspect tijdens hun show, was het vooral uitkijken naar die andere vaudeville, Chrome Hoof. Beschouw dit collectief maar als een blended whisky: voeg een aantal van deze gerenommeerde Schotse geestrijke dranken samen en je krijgt een cocktail waarvan je gaat duizelen. In Chrome Hoof wordt gespeeld met de funk van Bootsy Collins, de soul van James Brown, de grunt van een deathmetalband en je krijgt een fractie van het smakenpatroon dat je gehemelte streelt. Dan hebben we het nog niet over de overduidelijke klassieke inbreng (viool, trompet, saxofoon, fagot).

De hele band is getooid in zilveren - chroomkleurige, zo u wil – kapmantels met uitzondering van zangeres Lola Olafisoye. Terwijl zij het publiek uitdagend toezingt en danst hebben twee danseressen zich op de hoeken van het podium opgesteld en dansen synchroon op de vaak complexe muziek van de groep. Die muziek doet soms denken aan de structuren die een groep als Battles in haar songs legt : het veranderende tempo, de hooks die elkaar in sneltempo opvolgen,  een onverwacht instrument, een verrassend interludium of een gillende stem. Het lijkt misschien vreemd, maar dit allegaartje smaakt verdomd lekker.

Na een lange avond keren wij nog dronken van het laatste spektakel huiswaarts. Indien er wodcacontroles hebben plaats gevonden rond de Botanique, zal de staatskas ongetwijfeld weer gespijsd zijn geweest.

Copyright : daMusic
Meer foto’s op Photobucket

Het is een steeds weerkerend fenomeen. Een aantal groepen gooien min of meer tegelijkertijd soortgelijke platen op de markt. Geïnspireerd door elkaar of door voorafgaande generaties van muzikanten gaan ze telkens opnieuw op zoek naar het muzikale ei van Columbus. Dat geldt eveneens voor The Ruby Suns.

In het kielzog van het Newyorkse Yeasayer en aanverwanten zijn ook deze Nieuwzeelandse snaken gaan vissen in de smeltkroes van urban en wereldmuziek. Het is nu eenmaal een fenomeen waar je moeilijk omheen kunt: in elke stad die naam waardig en blijkbaar dus zelfs tot in Nieuw-Zeeland is er een muziekscene die beïnvloed wordt door de mengelmoes van culturen die dezer dagen overal met elkaar in aanraking komen.

The Ruby Suns hebben hun lijnen uitgehangen in de Zuidamerikaanse vijvers, geïnjecteerd met de nodige Afrikaanse stromingen. Soms levert dat een mooie vangst als Oh Mojave op, maar – en u voelt hem vast al komen - even vaak hangt er slechts een mager sprotje aan de haak. Vooral naar het einde van ‘Sea Lion’ krijgt de luisteraar het moeilijk om niet helemaal in te dommelen.

Toch blijken er in deze wateren enkele mooie goudbrasems rond te zwemmen. Het is heerlijk wegdromen op de Spaanse / Mexicaanse gitaren van This Adventure Tour en Remember is prachtig melancholisch. Zelfs het repetitieve Tane Mahuta, waarvan de tekst als een mantra voortdurend wordt gescandeerd, maakt het moeilijk om het aas te weerstaan en je tanden in de haak te zetten.

Maar helaas zijn er eveneens enkele naar modder smakende waterbewoners in de netten verstrikt geraakt. Magere spieringen die het zelfs niet waard zijn om terug de vijver in te worden gegooid - op het risico af door Michel Vandenbosch in de ban geslagen te worden - zoals Ole Rinka of It’s Mwangi In Front Of Me.

Misschien heeft het feit dat de songs werden geschreven en geproduceerd over een periode van twee jaar wel te maken met het feit dat de consistentie op dit album een beetje ontbreekt of is zoek geraakt. Maar zoals zo vaak zijn dit slechts speculaties. Je kan slechts werken met het materiaal dat je voorhanden hebt.

Al bij al zal de liefhebber van de nieuwe crossover en de niet al te veeleisende fan van Yeasayer en de late Talking Heads toch enkele mooie songs uit dit debuut onthouden. Misschien groeit uit dit loze vissertje op langere termijn wel een stevige zeebonk. Het potentieel is in elk geval al aanwezig.

Copyright : daMusic

Asthmatic Kitty Records wist al te verrassen met Sufjan Stevens, Castanets en My Brightest Diamond. Met Rafter willen ze een nieuwe parel aan hun kroon toevoegen. Hun imago indachtig kan je je in elk geval aan muzikale gekte verwachten.

Welkom in de speeltuin van Rafter Roberts. “I’ve got news for you / The world is black and blue.” In Zzzpenchant wordt al meteen duidelijk dat dit geen doordeweeks plaatje is. De liedjes duren tussen 30 seconden en 3 minuten. En elke noot straalt een enorme doe-het-zelfmentaliteit uit. Rafter heeft dan ook alle songs - “stuff” zoals hij het in de inlay noemt - zelf geschreven en opgenomen met hulp van wat vrienden. Daarbij heeft hij het gekraak van cassettes en de achtergrondgeluiden nergens weggelaten, hetgeen dit album een zekere authenticiteit en originaliteit geeft.

Er zit behoorlijk wat Spielerei tussen de nummers. Wat te denken bijvoorbeeld van een niemendalletje als I Love You Most Of All. En toch weet hij je in dertig seconden te raken met niet meer dan zijn stem en een akoestische gitaar. Het zijn nochtans niet enkel de bloemetjes en de bijtjes die indruk maken. Instrumentaaltje Cuddling Raccoons is eerder rauw, al geeft het handgeklap het nummer toch nog een soort kinderlijke onschuld mee. Precies die intrinsieke tegenstellingen typeert Rafter en maakt deze release uiterst interessant.

Het lijkt erop dat deze roodharige jongeman volledig nieuw is in de muziek. Niets is echter minder waar. Hij was onder andere al sound engineer bij platen van Sufjan Stevens, maar verleende ook al zijn diensten bij werk van Rocket From The Crypt. Om maar te zeggen: dit kereltje weet wel degelijk van wanten. Vandaar ook dat die onschuld zo echt lijkt. Je hebt nergens de indruk dat hij meer dan één take heeft gebruikt voor de opnames. Alles geeft de indruk gewoon meteen op de band gegooid te zijn.

Toch is het moeilijk om negentien nummers lang bij de les te blijven. Slay Me is naar onze mening niet meteen het meest geslaagde nummer en er staan op dit album nog wel enkele nummers waarbij de aandacht wegebt. Maar kampvuursongs als Casualty Of BOC doen je dan uiteindelijk toch weer de oren spitsen.

Het mag geen wonder heten dat Rafter precies bij Asthmatic Kitty Records met open armen wordt onthaald. Hij past nu eenmaal perfect tussen Castanets en consoorten. Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat hij in de toekomst nog heel wat muzikale potten gaat breken. Hou deze rossekop dan ook scherp in de gaten.

In de tuin van de Botanique is het heerlijk toeven met dergelijk zomers weer. Overal liggen mensen languit in het gras te genieten van de avondzon. De terrastafeltjes zitten uiteraard overvol en op de trappen is het zoeken naar een plaatsje. Waarom zou je dan een zaal als de Orangerie opzoeken? De twee eerste acts kunnen de zonnekloppers duidelijk niet overtuigen, maar voor Tunng is de opkomst toch behoorlijk groot.

Waar Kate Stables a.k.a. This Is The Kit de titel van haar album ‘Krülle Bol’ heeft gehaald, is meer dan duidelijk. Met haar weelderige krullen in een paardenstaart, in een soort pyjamabroek en met vrolijk gestreepte sokken staat ze op het podium. Ze is Engels, maar verblijft blijkbaar al een hele tijd in Frankrijk. Ze spreekt de taal dan ook bijna vlekkeloos.

Haar muziek ligt in het verlengde van de nieuwe folkrage: veel verwijzingen naar de natuur in teksten en spaarzaam met de instrumenten. Met een banjo of een gitaar begeleidt ze zichzelf terwijl ze met haar aan Joni Mitchell verwante stem haar liedjes zingt. Haar muzikale partner Justin zorgt voor de meerwaarde door haar bij te staan op banjo, percussie, gitaar of viool en door af en toe voor achtergrondzang te zorgen. Aangenaam, maar ook niet meer dan dat.

Ook over Cafeneon zijn we niet meteen enthousiast. Drive is er genoeg, maar bij momenten wordt er erg rommelig gemusiceerd. Dat heeft misschien te maken met een gebrek aan ervaring, maar dat is niet het enige probleem. De nummers beklijven niet, al is het aanwezige publiek (ongetwijfeld voor het merendeel familie van deze Brusselse groep) het daar niet altijd mee eens. De mix van electro en rock hebben we trouwens al eerder en vooral veel beter gehoord.

Als je dan iets later Tunng aan het werk ziet, begrijp je dat de voorgaande bands nog veel te leren hebben. De combinatie van akoestische gitaren met spaarzame elektronica die deze band heeft uitgewerkt, is indrukwekkend. Maar wat deze band echt uniek maakt, is hun zang. De nummers worden namelijk (meestal) door vier stemmen tegelijk gezongen, waardoor het geheel iets magisch krijgt.

Doordat op de drie (akoestische) gitaren verschillende akkoorden gespeeld worden, krijg je een gelaagd resultaat. Soms wordt dat opgebouwd zoals in de instrumental Out The Window With The Window, maar even vaak wordt je als luisteraar overvallen door een sound waarbij je niet weet waarnaar eerst te luisteren.

Voor de set van vanavond wordt geput uit hun drie albums. De sound mag sinds debuut ‘Mother’s Daughter And Other Songs’ dan misschien niet erg geëvolueerd zijn, er zit meer dan genoeg variatie in hun muziek om het boeiend te houden. Af en toe neemt de elektronica het voortouw (zoals in Beautiful And Light), maar meestal is het enkel de percussie, de speelgoedinstrumenten of een eenzame klarinet of melodica die je naast de gitaren hoort. Toch passen de samples en rustige beats perfect in het klankenlandschap dat wordt aangelegd. Het is in elk geval genieten van nummers als Sweet William of Bricks.

Af en toe is er zelfs plaats voor humor. De naar eigen zeggen op thrash metal geïnspireerde gitaarsolo van Mike Lindsay in instrumental Soup is grandioos en als Bullets aanvankelijk in de soep wordt gedraaid, wordt dat met de glimlach (“This is most embarrassing.”) toegegeven.

Aanvankelijk was er twijfel of we er wel goed aan hadden gedaan om de voorkeur te geven aan een snikhete zaal boven een fris terrasje, maar uiteindelijk blijken we toch de juiste beslissing genomen te hebben.

Copyright tekst : daMusic
Meer foto’s op Photobucket

Jamie Lidell - Jim

8 mei 2008

“Categorie: Brits zanger” staat er vermeld op de Wikipediapagina over Jamie Lidell. Wie Lidell een beetje kent, weet dat dit een te beperkte term is voor de duizendpoot die zijn stek heeft gevonden in Berlijn. Lidell is soul, is vuur, is passie. Na zijn vorige plaat ‘Multiply’ zou het het understatement van het jaar zijn om te beweren dat de verwachtingen voor zijn nieuwe album ‘Jim’ hooggespannen zijn.

Een blik op de binnenkant van het hoesje verraadt dat er behoorlijk wat namen van allure Groot-Brittaniës soulvolle hoop in bange dagen hebben bijgestaan. Naast de nooit van zijn zijde wijkende Mocky vinden we onder andere Gonzales, Nikka Costa en Peaches terug in de liner notes. Dat mag niet echt verwonderlijk heten. Wie zou er trouwens niet graag meewerken aan dergelijke platen? Warp zal maar wat blij zijn geweest dat hij besliste ook deze cd bij hen uit te brengen. Maar we wijken af.

Het is tenslotte de muziek waar het in deze recensie om (zou) moet(en) gaan. De muziek die je uit je stoel moet krijgen om weer eens je ass te gaan shaken. Lang hoeft u er in elk geval niet op te wachten. Niks opbouw naar een climax. Gewoon de deur inbeuken en de luisteraar tegen de muur nagelen. Dat is wat Another Day tenminste doet. “Another day / another way / for me to / open up to you”, zoals Jim (want dat is Jamie Lidell tenslotte) het zelf weet te verwoorden. De geest van Marvin Gaye moet wel over zijn schouder hebben meegekeken en gezien dat het goed was.

Het nummer wordt ingezet met een eenzame piano en een tamboerijn waarover Lidell zijn ietwat hese en zo aanstekelijke stem laat horen. De ritmesectie valt in en de achtergrondvocalen komen tevoorschijn. Halverwege is er de instrumentale break waar een dwarsfluit je doet opschrikken. Maar niet gevreesd, Jim neemt het touw al gauw weer in handen.

Dergelijke uiteenzettingen kan je schrijven over elk van de liedjes, maar daarmee willen we u niet vervelen. Wel moeten we u vertellen dat er zo veel afwisseling in dit plaatje zit dat het nooit gaat vervelen. De achtendertig minuten zijn voorbij voor u er erg in heeft. Of het nu een sleper is als All I Wanna Do, de nog het meest tegen ‘Multiply’ aanleunende eerste single Figured Me Out, de schitterende wervelwind van een nummer als Hurricane of de tearjerker Rope Of Sand, het is allemaal even indrukwekkend.

Neen, het is geen tweede ‘Multiply’. Dat moeten we toegeven. Maar als je albums van dergelijke kwaliteit maakt, hoeft dat ook helemaal niet. ‘Jim’ staat als een huis. Een huis met een stalen gebinte dat toch sierlijk oogt. Een huis waar het goed toeven is. Dus wel even waarschuwen wanneer u op bezoek komt.

Copyright : daMusic

Nederpopnacht

3 mei 2008

Het is iets wat ze op de Nederlandse televisie wel vaker doen. Oude stukjes televisie met zelden geziene beelden van artiesten tijdens live-optredens of gewoon ergens in een studio gedurende drie uur lang op de kijker afvuren. ‘De Nacht Van De Popmuziek‘ heet dat dan. Omdat de Nederpop dit jaar vijftig jaar bestaat, staat vannacht in het teken van de Nederpop. Tijdens vorige nachten heb ik in elk geval al leuke stukjes gezien. Uiteraard gaat dit initiatief gepaard met behoorlijk wat Nederlands gelul. Het zijn tenslotte Nederlanders. Maar de inhoud maakt het meestal meer dan de moeite waard.

Het doet je trouwens nadenken over het feit dat op de Belgische televisie altijd bitter weinig aandacht is besteed geweest aan popmuziek. Ik moet al terugdenken aan Elektron of iets dergelijks wat betreft de VRT of het nooit meer geëvenaarde rockmuziekprogramma, gepresenteerd door Ronny Mosuse, op VTM. Maar ook dat programma werd al snel weer afgevoerd. Zogezegd omdat er te weinig kijkers waren. Het is dus zoals het altijd was op het vlak van popmuziek: arm België!

Hoe dan ook : vannacht om 23.20 u op Nederland 3.

Indrukwekkend

1 mei 2008

Het gebeurt niet vaak dat ik onder de indruk ben van een berichtje dat ik op het internet lees. Maar toen ik dit las, moest ik toch even slikken. Het komt erop neer dat Edwyn Collins, voormalig zanger van Orange Juice en schrijver van wereldhit Girl Like You, na twee infarcten terug op het podium stond. Samen met voormalig Aztec Camerafrontman Roddy Frame heeft hij in Shepherd’s Bush een concert gegeven. Daar doe ik dus mijn petje voor af.